Pakjestijd!?

30982670 pakjes cropped.jpgE-commerce is aan een sterke opmars bezig en zeker sinterklaasgeschenken en kerstcadeaus worden zeer vaak online gekocht. Media berichten echter al de hele maand over (aanzienlijke) vertragingen bij aflevering van pakjes. Bovendien gebeurt de levering vaak door de pakjes achter te laten op de oprit, of door ze bij de buren af te geven. Dat creëert een aanzienlijk risico op diefstal en (water)schade. Wie is aansprakelijk als de Kerstman niet komt?


Deze tekst is verschenen in De Juristenkrant nr. 300, u vindt hem ook op Jura.

De verkoper draagt het risico voor verlies of beschadiging van de goederen tijdens het vervoer tot de consument de goederen fysiek in bezit heeft gekregen. Dat geldt ook als de verkoper de keuze laat tussen verschillende vervoerders (artikel VI.44 WER). Lossen op de oprit volstaat sowieso niet voor fysieke inbezitstelling en ook afgifte aan de buurman volstaat slechts als die door de consument is aangewezen.
Heeft het pakket tijdens het vervoer of na de foutieve levering schade opgelopen, dan is er sprake van een niet-conforme levering in de zin van artikel 1649ter BW. Bijgevolg kan de koper beroep doen op de remedies van artikel 1649quinquies BW. Vraag is echter of de primaire sancties herstelling en vervanging mogelijk zijn binnen een redelijke termijn. Daarbij moet immers rekening worden gehouden met het door de consument beoogde gebruik, en dat is net het gebruik als geschenk voor de feestdagen. Prijsvermindering of ontbinding zullen zich dan ook vaak opdringen (artikel 1649quinquies § 3 BW). Alternatief is een beroep op het herroepingsrecht mogelijk (artikel VI.47 WER). Echter, in dat geval is een bijkomende schadevergoeding niet mogelijk.

Het verlies van de goederen voor de consument ze fysiek in bezit heeft, geldt tegenover de consument als een niet-levering. De koper moet bij het overschrijden van de leveringstermijn aan de webshop in principe een bijkomende termijn verlenen voor levering. Pas na het verstrijken daarvan kan hij de overeenkomst beëindigen (artikel VI.43 §2 WER). Ook hier geldt echter dat onmiddellijke ontbinding mogelijk is als, alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking genomen, de levering binnen de overeengekomen levertermijn essentieel is.

Bij levering door een wegvervoerder is het CMR-aansprakelijkheidsregime dwingend toepasselijk, ook bij nationaal vervoer. De wegvervoerder is aansprakelijk voor verlies en beschadiging ontstaan tussen het tijdstip van inontvangstneming en het tijdstip van levering, alsook voor vertraging in levering (attikel 17.1 CMR). Tijdstip van levering is niet het feitelijke lossen van de goederen, maar het tijdstip waarop dat gebeurt met wilsovereenstemming over het overdragen van het bezit (Antwerpen 11 februari 2008, ETL 2008, 485). Hoewel de vervoerder dus principieel aansprakelijk is als de goederen verdwijnen wanneer ze op de oprit of bij de buren werden achtergelaten , is de schadevergoeding vaak zeer laag door de onaangepastheid van de aansprakelijkheidsregeling van CMR aan het pakketvervoer. Eventuele reputatieschade of andere gevolgschade zijn bij beschadiging en verlies steeds uitgesloten van vergoeding (artikel 23.4 CMR). Bovendien is de vergoeding voor zaakschade beperkt tot minder dan 10 euro per kilo (artikel 23.3 CMR). Bij goederen met een grote waardedichtheid, zoals elektronica, wordt het transportrisico dus voornamelijk gedragen door de verkoper. Bij vertragingsschade is gevolgschade wel vergoedbaar, maar daar is de schadevergoeding beperkt tot de vrachtprijs (artikel 23.5 CMR), bij pakketvervoer vaak slechts enkele euro s. Hoewel de geadresseerde onder CMR vorderingsgerechtigd is, ontneemt de lage compensatie hem de stimulus om een vordering tegen de vervoerder in te stellen.

Integrale schadevergoeding is wel mogelijk bij bewijs van opzet van de vervoerder of diens aangestelden (artikel 29 CMR). Bijvoorbeeld in het Duitse recht vormt levering aan de verkeerde persoon een met opzet gelijk te stellen bewuste roekeloosheid (Kh. Thume, Kommentar zur CMR, 2e ed. 2007,716). In België is het vaste rechtspraak dat doorbreking slechts mogelijk is bij opzet (Cass. 27 januari 1995, Arr. Cass.1995, 93). Bepaalde rechtspraak kwalificeert echter de onbekendheid van de identiteit van de persoon aan wie de vervoerder aflevert als opzet (Antwerpen 9 maart 1998, ETL 1998, 707). Bovendien is er rechtspraak die in geval van met elkaar overeenstemmende feiten de bewijslast dat er geen opzet is, bij de vervoerder legt (Kh. Dendermonde 5 juni 2003, TBH 2005, 548). Deze uitspraken suggereren dat een succesvol beroep op opzet hier zeker niet kansloos is. Voor de vertraging zal een beroep op opzet echter nagenoeg altijd kansloos zijn.

Integrale schadevergoeding kan eveneens worden gekregen, als de overeenkomst de vervoerwijze openlaat (Antwerpen 31 oktober 2011, ETL 2013, 82; Brussel 2 september 2011, DAOR 2012, 21), zoals vaak gebeurt bij koeriervervoer. CMR is in dat geval immers niet toepasselijk, aangezien dat een overeenkomst voor vervoer over de weg vereist (artikel 1.1 CMR), wat volgens het Hof van Cassatie consensus over de vervoerwijze vereist (Cass. 8 november 2004, Arr.Cass. 2004, 1767).

Hoewel niet-levering of gebrekkige levering voor de consument onaangenaam is, ligt het risico voornamelijk bij de webshop. Hoewel de webshop schadevergoeding kan krijgen van de vervoerder, is die veelal zeer beperkt en een succesvol beroep op opzet is onzeker. De gehanteerde leveringsmethode creëert overigens een bijkomend risico voor de webshop. Bij afwezigheid van een handtekening, is er immers geen enkel bewijs van levering. Zelfs al heeft de consument het pakje op de oprit gevonden, toch kan hij koudweg beweren dat het niet geleverd werd en is het voor zowel verkoper als vervoerder quasi-onmogelijk om het tegendeel te bewijzen. Webshops bevinden zich hier dan ook in een weinig benijdenswaardige positie.

Wouter Verheyen, universitair docent Erasmus Universiteit Rotterdam, lector/onderzoeker Odisee University College

Gepubliceerd op 23-12-2014

  72