Overheid moet coronamaatregelen versoepelen voor erediensten

Uit De Juristenkrant nr. 420 van 16 december 2020

Jelle Flo analyseert het arrest van de Raad van State dat de staat ertoe dwong de coronaregeling te versoepelen voor de erediensten.

Gepubliceerd op 17-12-2020

Een Antwerpse joodse congregatie, een vereniging zonder winstoogmerk (allebei verbonden met een synagoge), en een aantal praktiserend gelovige joden, onder wie een verloofd paar dat op het punt staat te trouwen, hebben de Raad van State er op 8 december 2020 toe gebracht de Belgische staat te bevelen de collectieve uitoefening van de eredienst niet langer onevenredig te beperken.

De verzoekers hadden op 4 december 2020 in eerste instantie de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gevraagd van artikel 15 §§ 1 en 3, artikel 17 en artikel 26 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020. Die artikelen verbieden de collectieve uitoefening van de eredienst. Er zijn beperkte uitzonderingen, die evenwel louter betrekking hebben op de rituele omkadering van belangrijke persoonlijke en sociale momenten en op socioculturele dienstverlening, en niet op geloofsbeleving. Erediensten mogen achter gesloten deuren worden georganiseerd met maximaal 10 aanwezigen, technici inbegrepen, wanneer ze worden opgenomen om te worden uitgezonden. Begrafenissen mogen worden bijgewoond door ten hoogste vijftien personen, kinderen tot twaalf jaar niet meegeteld. Bij een huwelijk mogen de echtgenoten, de getuigen en de bedienaar van de eredienst aanwezig zijn. Telkens moeten de ondertussen gebruikelijke veiligheidsmaatregelen worden nageleefd: informatie, afstand, mondmaskers, geen samenscholingen, ontsmettingsmiddelen, reiniging en verluchting. Die regels werden niet gewijzigd bij de versoepelingen van 28 november 2020 en zouden in principe blijven gelden tot 15 januari 2021.

joods-huwelijk
© Agefotostock

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid is de Raad van State pragmatisch en hanteert hij een veeleer burgerrechtelijke benadering. Het verzoek van een vereniging zonder winstoogmerk moet kaderen in het maatschappelijk doel van die vereniging, dat moet onderscheiden zijn van het loutere algemeen belang zowel als van de individuele belangen van de leden. Eén van de verzoekers, de vereniging die is verbonden met de synagoge, brengt echter geen stukken bij waaruit haar maatschappelijk doel blijkt. De Raad van State merkt op dat dit verzuim wordt toegeschreven aan de moeilijke corona-omstandigheden en stelt vast dat niet wordt betwist dat de vereniging inrichtende macht en eigenaar is.

Vervolgens onderzoekt de Raad van State of er sprake is van een ernstig middel. De godsdienstvrijheid is grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerd in artikel 19 van de Grondwet, artikel 9 van het EVRM en artikel 18 van het IVBPR. Ook is de godsdienstvrijheid volgens de Raad van State een grondrecht van bijzondere aard, dat tot de voornaamste eisen van de Belgische opstandelingen behoorde en in 1831 noodzakelijk werd geacht voor de levenskansen van de Belgische staat. Het recht om het geloof ook in gemeenschap te beleven raakt de kern van de vrijheid van eredienst.

Anders dan de Belgische staat meent, zijn de beperkingen van de vrijheid van eredienst niet gering; en in elk geval hebben joodse gelovigen niets aan de uitzonderingen die zijn bepaald op het algemene verbod, en die hen niet toelaten een joods huwelijk te vieren.

De suggestie van de Belgische staat om met de toegelaten maximaal vier personen samen te scholen in de buitenlucht en zo de eredienst te vieren, biedt geen soelaas. Die toelating geldt slechts behoudens andersluidende strengere bepaling, en die strengere bepaling is er, namelijk in artikel 17 van het MB dat de collectieve uitoefening van de eredienst zonder meer verbiedt.

De uitzonderingen die wel gelden, laten niet toe om de joodse eredienst te laten plaatshebben: om een volledige joodse gebedsdienst te kunnen laten doorgaan moet een minjan worden samengesteld die uit minstens tien volwassen mannen bestaat, en in de synagoge mag niet gefilmd worden terwijl mensen bidden.

De Raad van State merkt verder op dat terwijl de epidemiologische toestand zorgwekkend blijft, op 28 november 2020 toch tot bepaalde versoepelingen werd beslist. Het is op het eerste gezicht niet proportioneel dat de joodse eredienst volstrekt verboden zou blijven en dat zelfs niet in bepaalde gevallen, desnoods op aanvraag met opgave van plaats en tijd, uitzonderingen kunnen worden toegestaan. De Raad van State ziet geen reden om a priori aan te nemen dat onderzoek naar de omstandigheden in zulke gevallen niet zou kunnen uitwijzen dat er geen gevaar is voor een significante toename van het infectierisico.

Het MB heeft een zodanige impact op de godsdienstvrijheid van de verzoekers dat het niet kan worden beschouwd als evenredig met het nagestreefde doel. De Raad van State beschouwt het middel als ernstig.

Het administratief kortgeding vereist behalve de ontvankelijkheidsvoorwaarden ook nog minstens één ernstig middel en de uiterst dringende noodzakelijkheid.

Chanoeka en een huwelijk

Het is de eerste maal dat de Raad van State - weliswaar voorlopig en marginaal – de inhoudelijke bestaanbaarheid van de corona-MB’s met de godsdienstvrijheid toetst. In een arrest van 28 mei 2020 (nr. 247.674) wees de Raad van State nog een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af dat uitging van vier katholieken. Ook toen werden bij ministerieel besluit van 15 mei 2020 versoepelingen beslist voor sportieve, economische, sociale en culturele activiteiten, terwijl de eredienst verboden bleef. In die zaak is de Raad van State niet tot een onderzoek van de middelen gekomen. Volgens de Raad van State was de vordering immers niet uiterst dringend. De katholieken hadden verwezen naar het op handen zijnde Pinksteren op 31 mei 2020, en twee verzoekers wilden een kind laten dopen. De Raad van State overwoog echter dat geen verzoek was ingeleid toen Pasen op 12 april 2020 was verboden, en dat de Belgische bisschoppen in een persbericht van 14 mei 2020 zelf hadden verklaard dat de hervatting van de doopsels best zou worden afgestemd op een algemene opheffing van de lockdown.

In de zaak van de synagoge en de joodse gelovigen is er volgens de Raad van State wel sprake van uiterst dringende noodzakelijkheid: het nakende Chanoeka en het geplande huwelijk van twee verzoekers.

Non-discriminatie

Na het arrest van de Raad van State is op 10 december 2020 het Overlegcomité bijeengekomen en is op 11 december 2020 een ministerieel besluit verschenen waarbij wordt bepaald dat de erediensten mogen doorgaan met maximaal vijftien personen en met naleving van de veiligheidsregels, een verbod op fysieke aanrakingen tussen verschillende personen die niet tot hetzelfde huishouden behoren, en een verbod op fysieke aanrakingen van voorwerpen door verschillende personen.

Een slotbedenking. De joodse verzoekers hadden in hun verzoekschrift gemeend dat de uitzonderingen in het MB slechts op maat van de rooms-katholieken zijn geschreven. Er valt wat te zeggen over de neiging om alle fundamentele rechten en vrijheden te willen begrijpen in het prisma van het non-discriminatiebeginsel; maar ook inhoudelijk klopt dat niet. In de katholieke huwelijksliturgie wordt het bruidspaar, bijgestaan door de getuigen, door de priester ondervraagd ten overstaan van de geloofsgemeenschap, die dus wel aanwezig moet kunnen zijn. En terwijl voor de joden de minjan vereist is om de huwelijkszegen te kunnen bidden, of de kaddisj, zijn voor katholieken de zeven sacramenten die door Christus werden ingesteld om werkzame tekenen van genade te zijn essentieel. Anders dan in andere Europese landen, was in België elke eucharistieviering of andere collectieve eredienst principieel verboden. De uitzondering voor huwelijken geldt algemeen en lijkt eerder op maat van het burgerlijk huwelijk geschreven: er is overigens geen parallelle uitzondering voor priesterwijdingen, net zomin trouwens als voor doopsels of vormsels. De rooms-katholieke kerk heeft inderdaad ook een uitvaartliturgie ontwikkeld, maar het begraven van de doden is een werk van barmhartigheid, geen sacrament, en er zijn even goed burgerlijke begrafenisplechtigheden. En waar het ook verboden was om in de buitenlucht de eredienst te vieren, zelfs met hoogstens vier personen, waren ‘statische’ syndicale of andere manifestaties in de buitenlucht toegelaten gebleven tot honderd personen.

 

Jelle Flo is rechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk.

RvS, nr. 249.177, 8 december 2020

  1035