‘Onafhankelijkheid is een waarborg voor de burger, geen privilege van de magistraat’

De Juristenkrant sprak met de voorzitters van de Adviesraad voor de Magistratuur

Op 1 januari 2019 trad de nieuwe Adviesraad voor de Magistratuur aan. De raad zal in de komende maanden en jaren een nieuwe poging doen om een moderner sociaal statuut voor magistraten op de agenda en goedgekeurd te krijgen. Over die niet geringe uitdaging spraken we met raadsheer in het Hof van Cassatie Koenraad Moens en eerste-substituut arbeidsauditeur Fabrizio Antioco, de Nederlandstalige en Franstalige voorzitters van de ARM. ‘We willen één statuut voor alle magistraten, met aandacht voor de eigenheden van parket en zetel. Daarvoor gebeurt er nu een brede concertatie met alle vertegenwoordigende organen van de magistratuur.’

Gepubliceerd op 03-06-2019

Ruth Boone

De leden van de ARM nemen hun opdracht onbezoldigd op. Het budget (gebouwen en ondersteunend personeel van de FOD niet inbegrepen) bedraagt 840 euro per trimester, voor verplaatsingsvergoedingen. ‘We communiceren daarom zoveel mogelijk elektronisch. Dat brengt de democratische werking toch voor een stuk in het gedrang’ Dat voluntarisme kan verklaren waarom de vorige voorzitter Mireille Dom begin 2018 een extra oproep voor kandidaten moest lanceren. De nieuwe raad kon pas begin dit jaar aantreden. ‘De werking van de raad moet meer gestructureerd, meer onderbouwd gebeuren. Daarom zouden we hier graag, zoals bij het IGO of de HRJ, een gedetacheerd directeur zien, die zich voltijds met de ARM kan bezighouden. Liefst iemand uit een arbeidsgerecht of het auditoraat die beslagen is in materies als sociaal statuut of pensioen. Het zou de continuïteit ook ten goede komen.’

Rechters
(c) Wouter Van Vaerenbergh

Moderner statuut

'(...) Er hebben een aantal maatschappelijke evoluties plaatsgevonden, verworvenheden van deze tijd die aan het magistratenstatuut voorbij zijn gegaan: een betere verhouding tussen privé en werk, welzijn op het werk en werkomstandigheden. Het is dus tijd dat het gerechtelijk wetboek daaraan wordt aangepast. Het belangrijkste speerpunt is daarbij de aantrekkelijkheid van de loopbaan.’

‘Want wat stellen we vast? Er is in de magistratuur een verminderde instroom, en een verhoogde uitstroom. Die verminderde instroom moet toch vragen oproepen. Maar ook de uitstroom. Dat gaat niet alleen over magistraten die met pensioen gaan, het gaat ook om jongere magistraten die beslissen om eruit te stappen, en om magistraten die nog onder het oude systeem vallen en op 61, 62 beslissen: ‘ik ben weg’. Dat komt door de grote onzekerheid over de loopbaan en het pensioen. Het is een fundamenteel probleem.’

Eén stem, één statuut

'(...) Wij zijn akkoord dat er een werklastmeting moet komen. Men stelt dat onafhankelijkheid niet gelijk is aan onaantastbaarheid. Dat weten wij ook wel, er moet tegenover onafhankelijkheid verantwoordelijkheid staan, maar de middelen moeten er wel zijn. Ik hou niet van die ingesteldheid: bewijs nu eens dat je werkt. Magistraten werken hard, met inzet, gemotiveerd, in moeilijke omstandigheden. Ze zijn doordrongen van hun maatschappelijke opdracht. We moeten rust brengen, dat komt het maatschappelijke en economische leven ten goede. Dat is de fundamentele verantwoording. Maar we hebben veel in te halen. We brengen een genuanceerde boodschap, maar altijd vanuit de welbegrepen eigenheid en specificiteit van de magistraat.’

  270