Magistratuur en advocatuur blijven verdeeld over religieuze hoofddeksels in de rechtszaal

Uit een enquête van het Gentse Human Rights Centre, blijkt dat 14 procent van de bevraagde rechters er geen graten in zou zien om religieuze hoofddeksels van burgers in hun rechtszaal te weren. Volgens Eva Brems, hoofd van het Human Rights Centre, is dat een symptoom van een groeiende maatschappelijke tendens. Dat zegt ze in De Juristenkrant: ‘De publieke ruimte waarbinnen individuen hun geloofsovertuiging kunnen manifesteren, wordt almaar kleiner. Het debat dat al een aantal jaar in België woedt over het zichtbaar dragen van een islamitische hoofddoek blijkt ook vooroordelen bij een aantal rechters te hebben aangewakkerd.’ Die vaststelling is ook van belang voor de advocaten, want over de vraag of zij een religieus hoofddeksel mogen dragen, zijn de meningen eveneens verdeeld.

Ruth Boone

HoofddoekWat Brems en haar medeonderzoekers verrast heeft, is bovendien dat een aantal ondervraagde rechters die zouden vragen een religieus hoofddeksel af te nemen, toch een onderscheid maken naargelang de aard van het hoofddeksel: ‘Bij 11 procent van de Nederlandstaligen en 17 procent van de Franstaligen bleek dat zij wel zouden vragen om een religieus hoofddeksel af te nemen, maar daartoe meer of minder geneigd zijn naargelang het om een tulband, een keppeltje, een islamitische of katholieke hoofddoek zou gaan. Uit de individuele reacties blijkt dat een kleine maar significante minderheid een zeer negatieve perceptie heeft van de islamitische hoofddoek. Het gaat dan echt om vooroordelen, antipathie of zelfs haatgevoelens. Het is verontrustend dat ze, gelet op het feit dat zij rechters zijn, daarwerkelijk bereid zijn zulke negatieve gevoelens ook op papier te zetten.’ Een voorbeeld: ‘De joodse kippa of sikh tulband geven me minder problemen dan de islamitische hoofddoek. Ik denk dat dat komt omdat de islamitische hoofddoek dient om iets te verbergen en heel het hoofd omvat, terwijl de andere gewoon een uiting zijn van een overtuiging.’ Of: ‘Islamieten zijn niet multireligieus ingesteld. Christenen zijn geen proselieten (meer) noch de joden noch Sikhs.’

[...]

In 2009 verbood de Franstalige balie in Brussel advocaten om met een hoofddoek of een ander religieus symbool in de rechtszaal te verschijnen. Stafhouder Yves Oschinsky wees daarbij op de nood aan onafhankelijkheid van en gelijkheid onder advocaten.
Antwerps advocate en oud-stafhouder Kati Verstrepen is het met het argument van de onafhankelijkheid niet eens. Tijdens het debat tijdens de openingszitting van de Conferentie van de jonge balie in Mechelen stelde ze het als volgt: ‘De onafhankelijkheid is inderdaad één van de grondslagen van ons beroep. Een advocaat moet onafhankelijk kunnen optreden. Maar onafhankelijk ten aanzien van wie? Onafhankelijkheid mag niet verward worden met neutraliteit. Neutraal is een advocaat per definitie niet. Hij is wezenlijk partijdig en moet op geen enkel moment neutraliteit in zijn uiterlijke verschijning uitdragen. Een advocaat moet onafhankelijk zijn ten aanzien van zijn cliënt én ten aanzien van de rechter en bij uitbreiding de overheid. [...]'

[...]

De Orde van Vlaamse Balies heeft alvast geen algemeen hoofddekselverbod ingevoerd, en is dat ook niet meteen van plan, luidt het. Een verbod ligt, omwille van het pijnlijke oorlogsverleden, aan een aantal balies heel gevoelig. Joodse advocaten mogen tot nader order dus met een keppeltje blijven pleiten. Maar dat leidt er wel toe dat er ook vragen van moslima’s komen om met de hoofddoek te kunnen pleiten. Zo stelde advocate Hafida Talhaoui onlangs in De Juristenkrant (nr. 334): ‘Als je diversiteit niet omarmt, verlies je veel talent. Zo was er veel poespas rond een toekomstige stagiaire aan de Antwerpse balie die met een hoofddoek het beroep wilde uitoefenen. Toen het eenmaal zover was en het mocht, was ze gedemotiveerd en heeft ze de stage niet aangevat. Misschien was ze wel briljant geweest. Wanneer ben je voldoende geïntegreerd? Als je al je eigenheid opgeeft?'


Dit zijn een aantal quotes uit het artikel. De volledige versie kunt u lezen in De Juristenkrant (nr. 341 van 11 januari 2017) of via Jura.

Gepubliceerd op 12-01-2017

  351