Lola Boeykens: ‘We zijn ons uiterste best aan het doen’

De begeleiders wachten. Dat is het overheersende gevoel na ons gesprek met Lola Boeykens, voorzitter van het voorlopig College van hoven en rechtbanken. Hoewel de gerechtelijke hervorming op 1 april van start is gegaan, is veel nog niet beslist, net beslist, nog in uitvoering, of al gerepareerd. Het is een revolutie in stapjes, getuige bijvoorbeeld de vertraging in de benoemingen van korpschefs. Al ging het volgens Lola Boeykens af en toe toch te snel: ‘Een fusie in de privésector wordt lang voorbereid en men weet wie de leiding zal hebben. Dat is hier een gemiste kans.’ Maar Boeykens en haar voorlopig College roeien met de riemen die ze hebben. ‘Wat we nu wel al kunnen, is binnen de beschikbare budgettaire middelen mee de prioriteiten bepalen, maar het kan altijd dat de minister daar anders over beslist. Op dit moment zijn we bovendien een voorlopig college zonder wettelijke basis. Dat is een handicap. De politiek hoeft geen rekening met ons te houden en de korpschefs hoeven ook niet te luisteren naar onze aanbevelingen.’ Toch is Boeykens overwegend positief over de hervorming. ‘Ik zie de schaalvergroting als een belangrijk pluspunt.’


Annelien Keereman


[Dit artikel verscheen in De Juristenkrant (nr. 287 van 9 april 2014)]


Wat is precies de opdracht van de colleges?

Lola Boeykens (2)Lola Boeykens
: ‘De colleges zullen instaan voor het algemeen management van respectievelijk de hoven en rechtbanken en het openbaar ministerie. Dat gaat onder andere over personeelsbeleid, werklastmeting, statistiek, werkprocessen,… Elk college zal instaan voor de eigen zuil, maar zaken die beide aanbelangen, zullen de colleges samen beslissen, eventueel ook samen met de FOD Justitie. Er zijn namelijk materies die je op ruimere schaal moet regelen, zoals informatisering. Zetel en openbaar ministerie werken samen in dezelfde dossiers en hebben voor een groot stuk dezelfde behoeften. Op verschillende terreinen kunnen ze dan ook best samen beslissen. Er komt een lijst die bepaalt welke beheersaangelegenheden dat precies zullen zijn, maar die lijst moet nog bij koninklijk besluit vastgelegd worden. We zitten op dit ogenblik juridisch-technisch in een moeilijke situatie omdat voor veel zaken, zoals dat kb, een advies van het College van hoven en rechtbanken nodig is, maar dat bestaat nog niet. Voor de duidelijkheid: naast het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie zal ook het College van procureurs-generaal blijven bestaan, dat bevoegd blijft voor het bepalen van het strafbeleid.’

Wat kan het college dan voorlopig wel al doen?

‘Het voorlopig College heeft in november 2013 afspraken gemaakt met de FOD Justitie en het College van procureurs-generaal om op conventionele basis vooruit te lopen op wat de wet beheer bepaalt. Concreet: we vergaderen sindsdien regelmatig met het directiecomité van de FOD Justitie. Zo krijgen we relevante informatie, bijvoorbeeld over budgetten. Over een aantal zaken kunnen we samen met de FOD Justitie beslissen. Met werklastmeting zijn we al langer bezig. De eerste rapporten over de werklastmetingen van de hoven van beroep en de arbeidsrechtbanken zijn afgerond, die van de rechtbanken van eerste aanleg zijn bijna klaar en de volgende worden voorbereid. We staan in voor de statistieken over de activiteiten van de hoven en rechtbanken, we bekijken hoe we de werkprocessen kunnen verbeteren en hoe we onze collega’s kunnen bijstaan in de hervorming, bijvoorbeeld door informatie en knelpunten door te geven.’

Kunt u al budgetten beheren?

‘Nee, de wet beheer treedt op dit punt pas later in werking. Dat is ook logisch. In de eerste fase hebben we daar nog niet de nodige mensen en middelen voor. Om dat op een efficiënte en correcte manier te doen, moet je goed georganiseerd zijn en die ondersteuning moet nog uitgebouwd worden. Bovendien moet nog beslist worden hoe en volgens welke criteria budgetten moeten worden beheerd en verdeeld. Dat zal iets voor mijn opvolger zijn.’

Wanneer denkt u dat het zover zal zijn?

‘De wet beheer bepaalt dat het College in de toekomst een globaal budget onderhandelt met de minister en dat verdeelt onder de rechtbanken. Dat zie ik de eerstvolgende jaren nog niet gebeuren. Wat we nu wel al kunnen, is binnen de beschikbare budgettaire middelen mee de prioriteiten bepalen, maar het kan altijd dat de minister daar anders over beslist. Op dit moment zijn we bovendien een voorlopig college zonder wettelijke basis. Dat is een handicap. De politiek hoeft geen rekening met ons te houden en de korpschefs hoeven ook niet te luisteren naar onze aanbevelingen.’

AFWACHTEN

Denkt u dat u met het college meer zult kunnen bereiken dan voordien?


‘We worden nu al ernstig genomen als gesprekspartner en ik ben tevreden over de transparantie over budgetten en informatie. De wet over het beheer is slechts een kaderwet, dus we zullen moeten afwachten hoe sommige zaken in de toekomst concreet worden gemaakt. Financieel hebben we nu bijvoorbeeld niet meer bevoegdheid dan voor 1 april. Het is afwachten wanneer en welke bevoegdheden we zullen krijgen. Het is nog altijd de politieke wereld die beslist over onze middelen en over de omvang van de besparingen die de hoven en rechtbanken moeten realiseren. Daarin worden we niet gekend. We mogen wel mee beslissen hoe die besparingen, bijvoorbeeld op personeelskosten, zullen gebeuren. Of zoals een collega het omschreef: ‘repartir la misère’. Nu, voor de goede orde: ik ben blij dat we erbij betrokken worden en dat het niet de administratie is die de verdeling alleen doet.’

Wanneer komen er verkiezingen voor het definitieve college?

‘De allereerste vereiste is dat alle nieuwe korpschefs benoemd zijn, want het zijn zij die de collega’s in het definitieve college moeten kiezen. Voor alle korpschefs, behalve voor de voorzitters van de vrederechters en de politierechters, zijn de voordrachten door de Hoge Raad voor de Justitie volop bezig, dus we verwachten dat ze rond 15 mei effectief in functie zullen zijn – dat is toch de informatie die ik gekregen heb. Voor de voorzitters van de vrederechters en de politierechters zal het wat langer duren. Er moet ook nog een koninklijk besluit genomen worden dat de procedure van de verkiezing regelt, en dat moet dan ook nog in het Staatsblad verschijnen. Aan de tekst van dat koninklijk besluit wordt nog gewerkt. De keuzes die de wetgever daarover heeft gemaakt in de wet beheer maken dat een behoorlijk ingewikkelde opdracht. Het nieuwe college verwacht ik in het najaar van 2014, maar dat is natuurlijk maar een prognose.’

U hebt een brief naar de minister geschreven om uitstel van de invoering van de hervorming te vragen tot september. Was dat de reden voor uw brief?

‘Dat was inderdaad één van de redenen. De wet beheer is in principe in werking getreden op 1 april, met de nieuwe structuren, terwijl je voor een stuk geen invulling kunt geven aan die structuren en je dus blijft zitten met een voorlopig College geen bindende beslissingen kan nemen.’

‘Er waren nog andere redenen voor de brief natuurlijk. De wet van 1 december 2013 die de nieuwe geografie uittekent is gepubliceerd in december 2013, maar de wet beheer pas begin maart en een aantal belangrijke bepalingen zijn pas de afgelopen weken gepubliceerd, bijvoorbeeld wie in afwachting van de benoeming van de nieuwe korpschefs de nieuwe rechtbanken moet leiden. We vonden het, de collega’s en ik, toch erg jammer een hervorming van start te laten gaan wanneer er zelfs geen duidelijk zicht is op wie de leiding moet nemen in die nieuwe entiteiten. Als je een vergelijkbare fusie van verschillende organisaties in de privésector doet, heb je meestal ruim de tijd om iedereen daarop voor te bereiden. Men weet wie de leiding zal hebben, en dat is hier een gemiste kans.’

U voorziet dus nog wel wat problemen.

‘Niet voor de continuïteit van de dienstverlening aan de burger. Dat wil ik toch heel duidelijk zeggen. Er wordt op dit moment op alle niveaus vergaderd om de hervorming eenvormig te interpreteren en toe te passen. We zijn ons uiterste best aan het doen, maar het is niet gemakkelijk. Ik geef een voorbeeld. Er is nu heel wat aandacht voor de benoeming van de nieuwe korpschefs, maar ondertussen lopen de andere benoemingsprocedures voor nieuwe rechters en nieuwe substituten ook door. Het gerechtelijk wetboek bepaalt eigenlijk niet wie in zo’n situatie advies moet verlenen over iemand die zich kandidaat stelt als rechter voor een nieuwe rechtbank waar nog geen echte korpschef is. Daarover moet men dus brainstormen.’

‘Een ander probleem: de wetgever heeft beslist dat tussen 1 april en de indiensttreding van de nieuwe voorzitter, de eerste voorzitters van de hoven van beroep en de arbeidshoven iemand uit hun korps moeten aanduiden om tijdelijk waarnemend voorzitter te zijn. Als ze niemand aanduiden, moeten ze zelf waarnemend voorzitter zijn. We hebben dat onder de collega’s-eerste voorzitters besproken: het is niet realistisch om dat zelf te doen bovenop de andere taken en dat is het ook niet voor onze collega’s raadsheren. We kunnen dus niet anders dan een heel aantal taken delegeren aan andere magistraten, maar de vraag is hoe ver je daarin kunt gaan. En daar zijn wel wat verschillende interpretaties over.’

Ziet u ook praktische problemen?

‘De IT. Bij de vroegere rechtbanken, de huidige afdelingen, zijn er geen maatregelen genomen om het mogelijk te maken de grote rechtbank te besturen als één geheel. Elke afdeling heeft zijn eigen systeem en de voorzitter kan niet vanuit één afdeling in de systemen van de andere afdelingen. Hij heeft geen toegang en kan de gegevens van de afdelingen waar hij niet is dus niet rechtstreeks consulteren. Het is ook niet mogelijk om in de ene afdeling een rolnummer te geven aan een zaak die ergens anders moet worden ingeleid. Net hetzelfde met de boekhouding: in elke afdeling draait er een aparte; misschien is het wel beter om dat te centraliseren.’

Had u die zaken meer op voorhand willen voorbereiden?

‘Dat zou inderdaad beter geweest zijn.’

DOEKJE VOOR HET BLOEDEN

Benoit Allemeersch noemde de grotere rechtbanken ‘een doekje voor het bloeden’ omdat ze dan alsnog in afdelingen worden opgesplitst. Wat vindt u van die kritiek?

Lola Boeykens (1)‘Nu spreek ik voor mezelf, ik weet niet of alle collega’s van het voorlopig College mijn mening delen. Het lijkt me evident dat je een aantal schaalvoordelen die je met een grotere rechtbank creëert, mist als je verplicht bent om griffies en zittingsplaatsen te blijven organiseren in een heleboel afdelingen. In elke afdeling is er een griffie, je moet in elke afdeling zorgen voor onthaal, poetsdiensten, beveiliging,… Je zou een besparing kunnen realiseren en alles gemakkelijker kunnen organiseren als je de administratie zou centraliseren in één gebouw. Uit ervaring weet ik dat het al niet gemakkelijk is om een rechtbank met twee afdelingen te managen en er zijn nu rechtbanken met wel acht tot tien afdelingen. Met een centrale administratie in één gebouw, lijkt het beheer van zo’n rechtbank mij een stuk gemakkelijker.’

‘Maar ik begrijp de bekommernis van de politieke wereld om de toegankelijkheid voor de burger te bewaren, zodat die niet te veel moeilijkheden heeft om tot bij de rechter te geraken. Al bestaan daar ook alternatieve oplossingen voor zoals een videoconferentie, of alleen de zittingen lokaal houden.’

U bent dus wel een voorstander van de grotere rechtbanken?

‘Ik zie belangrijke opportuniteiten voor die nieuwe, grotere entiteiten. Je kunt op die manier voor een groot gebied meer eenvormigheid in de dienstverlening garanderen, een zelfde kwaliteit en voorspelbaarheid nastreven. Ik verwacht ook dat de eenheid van de rechtspraak zal toenemen als één directiecomité de leiding heeft over een grotere organisatie. Daarnaast bieden de grotere rechtbanken ook meer mogelijkheden voor specialisatie. Daar geloof ik rotsvast in. Ik zie de schaalvergroting als een belangrijk pluspunt in de hervorming.’

Er zullen 77 beheersovereenkomsten zijn. Is dat werkbaar?

‘Op korte termijn niet. Het is moeilijk te voorspellen wanneer het systeem van verdeling van middelen op basis van beheersplannen in werking zal treden. Het College van hoven en rechtbanken zal alleszins een goed uitgebouwde steundienst nodig hebben. Het is ondenkbaar dat de tien korpschefs van het toekomstige College zelf alle beheersplannen gaan lezen, aftoetsen, prognoses maken,… Ze zullen daarvoor hoogopgeleide medewerkers nodig hebben. Ik wil wel benadrukken dat zowel de politiek als de zetel beseffen dat het invoeren van het zelfstandig beheer een geleidelijk proces is. Het College en de hoven en rechtbanken zullen slechts geleidelijk meer bevoegdheden krijgen.’

Als er gekozen was voor eenheidsrechtbanken, waren er maar 18 beheersovereenkomsten nodig geweest, stelt professor Paul Van Orshoven. Was dat beter geweest?

‘Volgens mij niet. Onlangs was ik op een seminarie, waar professor Vallet van de UA sprak over de hervorming vanuit het perspectief van organisatiemanagement. Ze plaatste vraagtekens bij de effecten van de schaalvergroting en wees op de voordelen die autonome arbeidsrechtbanken bieden. Op een bepaald ogenblik worden organisaties tè groot en tè complex. Dan krijg je schaalnadelen, zoals bureaucratie en strakke hiërarchische lijnen. Eenheidsrechtbanken houden het gevaar in dat er onvoldoende ruimte blijft voor maatwerk. Dan wordt het eenheidsworst. Men mag immers niet vergeten dat de afhandeling van het dossier van een sukkelaar die problemen heeft met het OCMW een andere aanpak vraagt dan het dossier van een multinational met een ingewikkeld technisch-juridisch fiscaal probleem.’

ASYMMETRIE

Vindt u de asymmetrische organisatie van de arbeids- en handelsrechtbanken een goede zaak?

‘Nee, op zich niet. Dat zal wel wat problemen geven in de contacten met de andere entiteiten die georganiseerd zijn op het niveau van het arrondissement. Maar er is ook asymmetrie met andere rechtscolleges zoals de hoven, die ook moeten samenwerken of soms één gebouw delen met eerste aanleg. Langs de andere kant is het dan wel weer goed dat sommige arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel beslissingen kunnen nemen voor twee provincies en zo beter een eenvormige en kwalitatieve dienstverlening kunnen garanderen in een groot geografisch gebied.’

Wat vindt u van de kritiek van onder andere de Hoge Raad voor de Justitie dat er met de nieuwe colleges twee nieuwe ministeries van Justitie bij komen?

‘Die vind ik niet terecht. Er is nood aan een vertegenwoordigend orgaan van de korpschefs en de zetel. Je kunt moeilijk verwachten dat bijvoorbeeld op het gebied van IT alle directiecomités van alle rechtbanken apart gaan onderhandelen met de FOD. Er is in veel domeinen nood aan een unieke gesprekspartner. Het college vormt volgens mij ook een buffer tussen de politieke wereld en de lokale entiteiten. Zo kunnen we vanuit de magistratuur garanderen dat de verdeling van de middelen gebeurt op basis van relevante en objectief controleerbare criteria.’

‘Om vooruitgang te boeken moet het ook mogelijk zijn om bepaalde maatregelen op te leggen, bijvoorbeeld om bepaalde zaken op een bepaalde manier in een database in te voeren, zodat de gegevens gemeten en vergeleken kunnen worden. Anders kun je er geen statistieken over bijhouden en geen gefundeerde beleidsbeslissingen nemen. En om die eenvormigheid op te leggen, heb je een College van hoven en rechtbanken nodig.’

SAMENSTELLING VAN DE COLLEGES

Het voorlopig College van hoven en rechtbanken bestaat nu uit 12 korpschefs. Elk type rechtbank en hof heeft er twee vertegenwoordigers en het college is taalparitair samengesteld. De groep kiest zelf uit zijn leden een voorzitter. Tot januari van dit jaar was dat Michel Rozie.

Het toekomstig College heeft een andere samenstelling met 3 eerste voorzitters van de hoven van beroep, 1 eerste voorzitter van een arbeidshof, 3 voorzitters van rechtbanken van eerste aanleg, 1 voorzitter van een arbeidsrechtbank, 1 voorzitter van een rechtbank van koophandel en 1 voorzitter van de vrederechters en politierechters. Het College van het openbaar ministerie zal bestaan uit de 5 procureurs-generaal, 3 procureurs, 1 arbeidsauditeur en de federale procureur.



Dit artikel verscheen in De Juristenkrant (nr. 287, van 9 april 2014).

Gepubliceerd op 10-04-2014

  342