Eric Dirix: ‘Je schrijft niet om de vijf jaar een nieuw burgerlijk wetboek’

In de grote hinkstapsprong van de minister van Justitie komt na de potpourriwetgeving de grondige herwerking van de basiswetboeken. De aanpassingen aan het burgerlijk wetboek worden tegen de zomer voorgelegd aan het parlement. De verschillende deelaspecten werden herschreven door specialisten van diverse universiteiten, onder de coördinatie en het toeziend oog van de professoren Eric Dirix en Patrick Wéry. ‘Uniek aan dit project is niet alleen hoe groot het is, maar ook dat we de bevolking geraadpleegd hebben,’ vertelt Eric Dirix aan De Juristenkrant. Tot eind januari kon iedereen die dat wou feedback geven. Die is ondertussen allemaal verwerkt. ‘Zo goed als elk artikel hebben we nog eens tegen het licht gehouden.’

Gepubliceerd op 02-03-2018

Annelien Keereman
Redacteur De Juristenkrant
prof-leuven-4
op de foto: Eric Dirix - (c) Wouter Van Vaerenbergh

[...]

‘In de werkgroep merkten we een licht cultuurverschil tussen het noorden en het zuiden van het land, dus we moesten af en toe een compromis zoeken. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat men in het zuiden van het land niet zo gek is op open normen, daar wil men zoveel mogelijk rechtszekerheid. Alles wat leunt naar vertrouwensleer is ook wat lastiger. Niet altijd hè, maar er is toch een cultuurverschil. Dat heeft ons ertoe verplicht om sommige woorden te schrappen of aan te passen na de consultatie. Eerst spraken we bijvoorbeeld over ‘de economie van de overeenkomst’, maar die term is weggevallen. We zijn dan gaan nadenken, ‘wat betekent dat eigenlijk, de economie van de overeenkomst?’ (lacht).’

[...]

‘Ook uniek aan het project is dat we heel veel autonomie geven aan de partijen. Een partij kan een overeenkomst eenzijdig laten ontbinden. Als de andere partij niet akkoord is, moet zij naar de rechtbank. En dat zal ook gelden voor de nietigheid. Een partij kan dus eenzijdig een verklaring afleggen dat de overeenkomst voor hem nietig is. Als de tegenpartij daar niet mee akkoord gaat, moet die naar de rechter. Maar meestal zal die partij zeggen dat de eerste partij eigenlijk gelijk heeft en dat de overeenkomst inderdaad nietig is en dat je daarvoor niet naar de rechter moet stappen. En dan zie je dat bij de magistratuur toch een beetje de vrees leeft dat de rechter te veel buitenspel wordt gezet. Als er vanuit de magistratuur kritiek is op de codificatie, is ze vaak van die strekking. Daar hebben we akte van genomen.’

[...]

‘Ook het schadebeding wordt helemaal nieuw geregeld. Nieuw is bijvoorbeeld dat als een beding te laag is, de rechter het kan verhogen. Grote firma’s zetten de vergoeding soms zo laag in hun overeenkomsten, dat het eigenlijk verkapte exoneratiebedingen zijn. Meestal gaat het om het omgekeerde, dat het schadebeding te hoog is, en dan kan de rechter het matigen. Dat verandert niet, maar de toets is anders: in de huidige regelgeving kan de rechter het matigen in functie van de potentiële schade. Onze norm is ietwat anders: de rechter kan het matigen als het schadebeding ‘kennelijk onredelijk’ is, in acht genomen van de schade uit alle andere omstandigheden, in het bijzonder de rechtmatige belangen van de schuldeiser. Een schadebeding mag dus toch een beetje een strafbeding zijn. De norm blijft dezelfde: het mag niet kennelijk onredelijk zijn en er moeten rechtmatige belangen zijn.'

[...]

  1702