De boerkini: stof tot nadenken

Vorig jaar verscheen in De Juristenkrant een bijdrage van advocaat Stefaan Sonck over boerkini's in publieke zwembaden en of een verbod al of niet juridisch te rechtvaardigen valt (spoiler: moeilijk). Het debat laait nu opnieuw op over een mogelijk boerkiniverbod op het strand, een publieke ruimte. Tijd om de bijdrage te actualiseren, vond Stefaan Sonck. 

  

Hieronder leest u een ingekorte versie van de Juristenkrant-bijdrage uit oktober 2015. De volledige bijdrage en de actualisering leest u op de website van Van Steenbrugge Advocaten, het kantoor waar Stefaan Sonck deel van uitmaakt.

BoerkiniDe boerkini: stof tot nadenken

Stefaan Sonck

[...]


Ooit werden dames, die in een verkleedkar een badpak hadden aangetrokken dat veel weg had van een nachtjapon, tot aan de vloedlijn gereden en ‘te water gelaten’. We spreken over de Belgische kust, zo’n 100 jaar geleden. De normen evolu-eerden relatief snel. Niettemin was de bikini op het strand en in de zwembaden ooit revolutionair. Zoveel vrouwelijk naakt, konden onze ogen en normen dat wel aan? En nu de omgekeerde uitdaging: zoveel textiel om te gaan zwemmen? Kan onze samenleving dat wel toelaten?

[...]

MINIMUM, GEEN MAXIMUM
Wat de minimumnorm betreft, kunnen we niet veel anders doen dan te verwijzen naar een abstract begrip als de ‘goede zeden’ of de ‘fatsoenlijkheid’. In een openbaar zwembad wordt elke gedraging strijdig met de goede zeden (door kledij of door handelingen) verboden. Franstaligen mogen niet gekleed zijn ‘de façon indécente’. Dat fatsoenlijkheidsbegrip is alvast evolutief, ook al is het van alle tijden te denken dat wat op dat ogenblik geldt, een universele norm is waarop nog weinig rek zit. In monokini of string gaan zwemmen is momenteel geen optie net zomin als een doorkijkbadpak, maar wie weet zal men ooit gewoon in zijn blootje gaan zwemmen in het stedelijk zwembad.


Wat de ‘maximumnorm’ betreft, hebben we niets vergelijkbaars met de ‘goede zeden’ die als maatstaf voor de minimumnorm geldt. Er moet dus naar een andere norm worden gezocht en dat wordt dan meestal de nood aan hygiëne. Uitzonderlijk wordt er zowaar al eens verwezen naar ecologische motieven, wat die ook mogen zijn.
In de zwembadreglementen vind je een waaier aan voorschriften in verband met hygiëne.

[...]



Dat je kledij die je ook buiten het zwembad kan aantrekken, niet meteen in het zwembad moet toelaten (sommige reglementen preciseren dat de zwemkledij exclusief ontworpen moet zijn om te zwemmen of gewagen, in het Franstalig landsgedeelte, van ‘les maillots de bain dits ‘classiques’’), lijkt mij uit hygiënisch oogpunt verdedigbaar, ook al blijkt dat soms een verdoken uitsluitingsmaatregel voor bepaalde jongeren.


De voorschriften over de zwemkledij voor dames zijn vrij gelijklopend, met dien verstande dat niet zelden rokjes, kleedjes en… boerkini’s expliciet worden verboden (voornamelijk in het Vlaamse landsgedeelte). Kleedjes en rokjes zijn, in principe, niet ontworpen om te zwemmen. Via het vereiste van hygiëne kan je daar mee weg. Maar hoe kan je, met name wat boerkini’s betreft, een verbod verantwoorden door te wijzen op hygiënevoorschriften? Een boerkini is gemaakt om te zwemmen en, voor zover ik weet, ook vervaardigd uit badtextiel. Dat de mouwen tot aan de pols reiken en de pijpen tot aan de enkels, kan toch geen reden zijn om iemand uit het zwembad te weren? Net zo min als de doorlopende badmuts, die het aangezicht volledig vrij laat.

[...]

Voor sommigen zou het dragen van een boerkini nochtans duidelijk (intellectueel) storend zijn. Allicht omdat de boerkini geassocieerd wordt met een geloofsbeleving die men niet noodzakelijk genegen is. Maar dat vormt, bij mijn weten, geen juridische grondslag voor uitsluiting, wel integendeel.

WIJ ZIJN ZO NIET
Een bekend politicus verwoordde zijn afkeer voor boerkini’s onlangs als volgt: waarom mogen er geen boerkini’s in publieke zwembaden? Omdat we het niet willen. Versta: wij zijn zo niet, onze vrouwen zijn geëmancipeerd en de boerkini wijst op onderdanigheid van de vrouw aan de man. Dat heeft alvast het voordeel van de duidelijkheid. Het argument dat men op die manier wil opkomen voor vrouwen wier vrije wil zou worden beknot omdat ze een boerkini moeten aantrekken vind ik echter, zacht uitgedrukt, een beetje bij de haren getrokken. Ik kan me niet voorstellen dat een dame die gedwongen zou worden een boerkini aan te trekken in plaats van een badpak, en het daar niet mee eens zou zijn, zich toch naar het zwembad zou begeven. Een zwembadverbod op die grond lijkt op zijn minst betwistbaar en evenmin efficiënt. Het zwembadreglement helpt de, per hypothese onderdrukte vrouw, niet vooruit. Is wie zich in dit dossier opwerpt als fervent (terecht) verdediger van het gelijkheidsbeginsel tussen man en vrouw en het daarbij aansluitend verbod de vrouw als ondergeschikt te beschouwen aan de man, niet een beetje selectief verontwaardigd?

[...]


Een boerkiniverbod voor zwembaden mag niet het resultaat zijn van een golf van onbezonnen sfeerschepperij, noch gegrond worden op drogredenen. Ik kijk alvast met belangstelling uit naar de resultaten van het aangekondigde onderzoek van het IGC, dat zeer pertinent stelde dat dit debat in alle sereniteit moet worden gevoerd.

U las een ingekorte versie van de Juristenkrant-bijdrage van Stefaan Sonck uit oktober 2015. De volledige bijdrage en de actualisering leest u op de website van Van Steenbrugge Advocaten, het kantoor waar Stefaan Sonck deel van uitmaakt.


 

Gepubliceerd op 18-08-2016

  269