Corona-MB verdeelt de rechtspraak

Uit De Juristenkrant nr. 417 van 4 november 2020

Volgens de politierechtbank in Charleroi is het corona-MB van 23 maart 2020 in strijd met de Grondwet. De politierechter liet het daarom buiten beschouwing voor de beoordeling van een tweetal coronaovertredingen door een zwakbegaafde, analfabete man. Voor andere rechtbanken vormt het MB geen probleem. Rechter Jelle Flo maakte voor De Juristenkrant een overzicht.

Gepubliceerd op 05-11-2020

De afgelopen weken heeft de tweede coronagolf zich aangediend en heeft kersvers minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden als eerste wapenfeit op 18 oktober 2020 een nieuw coronabesluit geschreven – er is er inmiddels een tweede, van 23 oktober 2020, en een derde van 28 oktober 2020. Misschien volgen er nog.

Ondertussen is in de rechtspraak de handhaving van de eerdere ministeriële besluiten over de coronamaatregelen op gang gekomen. Voor het eerst heeft nu in een uitvoerig gemotiveerd vonnis een politierechtbank (van Henegouwen, afdeling Charleroi), het MB van 23 maart 2020 in een bepaalde zaak buiten beschouwing gelaten met toepassing van artikel 159 Grondwet.

32015_1334707-id-ivan-put-comp
Ivan Put

Een korte opfrissing. Het eerste MB dateert van 13 maart 2020 en verbiedt samengevat alle feesten, culturele en sportieve activiteiten en ook de erediensten, en sluit de scholen, de kroegen en restaurants, en de winkels die geen voeding verkopen. Een erratum volgt daags nadien, op 14 maart 2020. Op 18 maart 2020 wordt de lockdown ministerieel besloten. De burger is in het algemeen verplicht thuis te blijven. Telewerken wordt verplicht ‘bij alle niet-essentiële bedrijven’, ‘voor alle personeelsleden wiens functie zich ertoe leent’. Als dat niet mogelijk is, moet anderhalve meter afstand worden gehouden, en anders moet het niet-essentiële bedrijf sluiten. Sportieve en culturele activiteiten, samenscholingen en feestjes blijven verboden, net zoals de erediensten, en de restaurants, kroegen, scholen, en meeste handelszaken blijven gesloten. Een bijlage bevat de lijst van handelszaken, bedrijven en diensten die de minister essentieel acht. Daar prijken bovenaan de wetgevende en uitvoerende macht zelf met al hun personeel en diensten. Als de gehanteerde volgorde ook een graadmeter is van hoe essentieel de minister een instelling acht voor de samenleving, dan komen de rechters na de mediafiguren maar voor de pechverhelpers. Het Grondwettelijk Hof is niet opgenomen in de eerste lijst.

Er volgen nog corona-MB’s, errata en wijzigingen op 23 maart 2020, 24 maart 2020, 3 april 2020, 17 april 2020, 30 april 2020, 8 mei 2020, 15 mei 2020, 20 mei 2020, 25 mei 2020, 5 juni 2020 (waarbij het gebod om thuis te blijven wordt opgeheven), 30 juni 2020, 10 juli 2020, 24 juli 2020, 28 juli 2020, 22 augustus 2020 en 25 september 2020, en op 1 november. Een overzicht vindt u hier.

De politierechter in Charleroi zag voor zich een zwakbegaafde en analfabete man die op 7 april 2020 werd geverbaliseerd omdat hij zich zonder geldige reden op de openbare weg bevond, waar hij met een vriend alcohol dronk, en op 14 april 2020 omdat hij een buur lastigviel. Daarmee zou hij de artikelen. 5, 8 en 10 van het MB van 23 maart 2020 hebben geschonden, en de artikelen 182 en 187 van de wet civiele veiligheid van 15 mei 2007.

Zonder de ernst van de pandemie of de nood aan maatregelen te miskennen, merkt de politierechter op dat de grondteksten van onze samenleving merendeels precies zijn ontstaan op moeilijke ogenblikken, en dat bij uitstek in crisismomenten naar die grondteksten moet worden teruggegrepen. Artikel 33 Grondwet bepaalt dat de drie onderscheiden staatsmachten uitgaan van de natie en overeenkomstig de Grondwet worden uitgeoefend. Het strafrecht en de fundamentele rechten en vrijheden zijn in principe voorbehouden aan de wetgever. Artikelen 105 en 108 Grondwet bepalen dat de Koning slechts de macht heeft die de Grondwet en de bijzondere wetten hem toekennen, en dat de Koning de verordeningen maakt en besluiten neemt die nodig zijn om de wetten uit te voeren. Hij mag die macht niet algemeen delegeren naar een individuele minister, en individuele ministers putten uit de Grondwet geen eigen regelgevende bevoegdheden. Overeenkomstig artikel 159 Grondwet worden de besluiten en verordeningen van de uitvoerende macht en de lokale overheden slechts toegepast in zoverre ze met de wet overeenstemmen.

Dreigende omstandigheden

De politierechter stelt vervolgens vast dat bij artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 wel een specifieke politiemacht wordt verleend aan de minister van Binnenlandse Zaken, maar geen enkele regelgevende bevoegdheid. Die bepaling machtigt de minister om in geval van dreigende omstandigheden, de bevolking te verplichten zich te verwijderen van plaatsen die bedreigd zijn, een voorlopige verblijfplaats aan te wijzen, en om iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden. Artikel 187 van dezelfde wet bestraft inbreuken met een gevangenisstraf tot drie maanden en een geldboete tot 500 euro. De artikelen hernemen de bepalingen van artikel 6 en 7 van de wet betreffende de civiele bescherming van 31 december 1963. Die bepalingen zijn ingevoerd om personen bij te staan bij ‘rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen’, nu omschreven als ‘dreigende omstandigheden’.

Terwijl de covid-19 pandemie ontegensprekelijk een dreigende omstandigheid vormt, kent artikel 182 aan de minister als coördinator van de civiele veiligheidsdiensten slechts de macht toe om bepaalde vrijheden te beperken, opdat materiële beschermingsmaatregelen kunnen worden genomen. Het doel van de bepaling is het faciliteren van reddings- en beschermingsoperaties die snel moeten worden opgezet. Voor een ander doel mag de bepaling niet worden aangewend. Er wordt, aldus de politierechter van Charleroi, geen macht toegekend die toelaat om absoluut elke verplaatsing of beweging van de bevolking te kunnen verbieden, in geval van dreigende omstandigheden. De macht om verplaatsingen en bewegingen te verbieden is accessoir bij de macht om de bevolking uit een bepaalde plaats of een bepaald gebied te evacueren, en precies om de bevolking te beschutten tegen gevaar. Het was de bedoeling van de wetgever om de macht van de minister te begrenzen binnen een welomschreven kader en te beperken tot de gevallen die werden beoogd. De politierechter overweegt, tot slot, dat repressie noodzakelijk is om bepaald gedrag in een epidemie te ontraden, maar niet ten koste van de rechtstaat, en laat het ministerieel besluit buiten beschouwing.

Bij deze samenvatting van het omstandige en grondig gemotiveerde vonnis van de politierechter in Charleroi past op te merken dat daaruit niet met zekerheid de huidige stand van rechtspraak kan worden afgeleid.

Hobbelig parcours

Zo onderzocht ook de politierechter in Leuven op 20 augustus 2020 de conformiteit van het MB van 23 maart 2020 met de wet en kwam zij tot de gemotiveerde slotsom dat de genomen maatregelen, daarin begrepen de strafbaarstelling, wel volledig wettelijk zijn.

Pas bij artikel 13 van de wet van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus Covid-19 (BS 29 mei 2020), zijn ook de politierechtbanken en niet langer de rechtbanken van eerste aanleg bevoegd gemaakt voor de inbreuken tegen de corona-MB’s.

In de tussentijd hebben zowel de rechtbanken van eerste aanleg als het hof van beroep in Brussel verschillende uitspraken gedaan op basis van de ministeriële coronabesluiten, in hun verschillende versies, en ook veroordelingen uitgesproken.

Zo weigerde op 25 juni 2020 de correctionele rechter in Brugge een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof naar de bestaanbaarheid van de artikelen 182 en 187 van de wet civiele veiligheid met de artikelen 12 (de vrijheid van de persoon) en 14 (het legaliteitsbeginsel) van de Grondwet. De rechter merkte op dat volgens de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, een delegatie aan de uitvoerende macht niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk zijn vastgesteld door de wetgever. Dat was volgens de rechter in Brugge het geval.

De correctionele rechter in Kortrijk oordeelde op 20 juli 2020 dat artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 de minister wel machtigt om verplaatsingen te verbieden, maar niet om ook samenscholingen te verbieden. Die macht put de minister slechts uit artikel 11 van wet van 5 augustus 1992 houdende het politieambt en dat artikel wordt niet met een straf beteugeld. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak voor die tenlastelegging, en de zaak is bij het afsluiten van deze bijdrage nog sub iudice.

De correctionele rechter in Dendermonde verduidelijkte op 29 juni 2020 dat de regel dat bij heterdaad een private woonst ook zonder huiszoekingsbevel mag worden betreden, niet zomaar kan worden toegepast. Er moet kennis zijn van een misdrijf, en loutere aanwijzingen en vermoedens volstaan daartoe niet.

Het hof van beroep in Brussel tenslotte oordeelde op 15 juli 2020 dat indien een individuele fysieke activiteit geoorloofd is, het ook geoorloofd is om even te rusten, en men niet verplicht is onophoudelijk in beweging te zijn, en dat een veroordeling niet louter mag berusten op bekentenissen.

De Raad van State, die de natuurlijke rechter is om te oordelen of een ministerieel besluit conform is aan de wet, is tot vandaag nog niet aan een beoordeling van de rechtsgrond toegekomen. In het persbericht op zijn website bij arrest nr. 248.781 van 28 oktober 2020 verduidelijkt de Raad uitdrukkelijk dat hij de bevoegdheid van de minister niet daadwerkelijk heeft onderzocht.

Op 30 oktober verwierp de Raad van State bij arresten 248.818 en 248.819 tot slot twee vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De Raad oordeelt dat de minister op het eerste gezicht bevoegd is om in de huidige omstandigheden de horeca te sluiten, en dat de avondklok een wettelijke grondslag lijkt te hebben. De strafbepalingen vinden een wettelijke basis in artikel 187 van de wet civiele veiligheid.

Tot slot nog deze bedenking. Zowel de conformiteit met de hogere rechtsnormen van alle bepalingen, als de legistieke kwaliteit, de naleving door politici zelf, de verduidelijking ten behoeve van de bevolking en de handhaving van de corona-MB’s zijn enigszins hobbelig verlopen. Men kan het juridisch eens of oneens zijn met de beoordeling door de politierechter in Charleroi, maar haar redenering is alleszins niet absurd. In dat verband kan ook nog opgemerkt worden dat professor Stefan Sottiaux en professor Patricia Popelier in De Standaard van 21 oktober 2020 hebben opgeroepen om een degelijk wetgevend kader te bepalen, zoals onze buurlanden dat trouwens ook hebben gedaan. Bij die oproep sloten tal van grondwetspecialisten zoals Eva Brems, Koen Lemmens, Hendrik Vuye en Jogchum Vrielink zich ondertussen aan.

Jelle Flo is rechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk.

Pol. Charleroi, 22 oktober 2020, onuitg.

  1954