Brussel, we hebben een (deontologisch) probleem

Op 1 januari 2015 treedt de Codex deontologie voor advocaten van de OVB in werking. Alle advocaten zullen vanaf dan - eindelijk - dezelfde deontologie moeten respecteren. Althans, zo wil de OVB het. Advocaten Hugo Lamon en Patrick Hofströssler consulteerden de codex in het Staatsblad en waren verrast door wat ze lazen. Ze doen dan ook een dringende oproep aan de OVB, want er is een probleem. En geen kleintje.

Hugo Lamon
Patrick Hofströssler

Dit artikel is verschenen in De Juristenkrant (nr. 300 van 17 december 2014), u kunt het ook lezen via Jura. 

Advocaat-anoniemIn het Staatsblad van 30 september 2014 verscheen de ‘Codex deontologie voor advocaten’. Krachtens artikel XI.1.1 treedt die op 1 januari 2015 in werking. Op de website van de OVB valt te lezen dat de codex vanaf dan de bestaande OVB-reglementen vervangt. Voor de advocaten die lid zijn van de 14 balies die bij de OVB zijn aangesloten zou de codex dus het nieuwe rechtskader van de deontologie moeten vormen.


Toegegeven, we keken er met een positief vooroordeel naar uit. Er is al sinds de oprichting van de OVB voor geijverd om de advocatendeontologie te harmoniseren. Het is toch niet meer van deze tijd dat de advocatuur in Hasselt, Brussel of Gent aan andere regels onderworpen is. Een eengemaakte codex voor alle advocaten in Vlaanderen en Brussel is dan ook een schitterend initiatief. Alle lof dus aan wie dit heeft willen realiseren, oud-stafhouder Edward Janssens in de eerste plaats.


Bij het lezen kwamen echter ook de eerste vragen, die al soms overgingen in verbazing en wat vertwijfeling. Maar mis-schien hadden we verkeerd gelezen - het gebruikte taaltje bekt niet steeds vlot - of hadden we dingen over het hoofd gezien? Maar toen we samen naar de tekst keken, werden we meer dan zomaar wat bezorgd. Hallo OVB, we zitten met wat problemen.

GEEN ADVOCATEN-BEMIDDELAARS MEER?
De codex moet de bestaande OVB-reglementen samenbrengen, zo leert artikel XI.1.2. Die bepaling bevat een lijst van reglementen en de plaats waar die in de codex zijn ‘opgenomen’. Toch telt de codex ook een aantal nieuwe bepalingen. Dat is bijvoorbeeld zo voor het grootste stuk van Deel I, dat handelt over de ‘essentiële plichten’ van de advocaat. Vol-gens het één artikel tellend hoofdstuk I.1, gaat het om (1) de plicht tot deskundige beroepsuitoefening (waarover verder met geen woord meer wordt gerept), (2) de plicht om het beroepsgeheim te eerbiedigen, (3) de ‘essentiële plichten’ van onafhankelijkheid en partijdigheid en (4) de plicht om belangenconflicten te vermijden. En tot slot worden we eraan herinnerd dat de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, ‘die aan het beroep ten grondslag liggen’, ook moeten worden geëerbiedigd.


Als essentiële plicht krijgt de onafhankelijkheid drie onderverdelingen: ‘onafhankelijkheid’ (wij verzinnen het echt niet) in artikel I.2.1, ‘partijdigheid’ in artikel I.2.2. en ‘tegenstrijdige belangen’ in artikel I.2.3.
De partijdigheidsplicht is nieuw in het reglementair kader en verplicht de advocaat de belangen van de cliënt zo goed mogelijk te behartigen en die boven zijn eigen belangen en die van derden te stellen. Die partijdigheid wordt onderscheiden van het verbod om tegenstrijdige belangen te behartigen.


Als de codex als een reglement moet worden beschouwd, betekent dit dat het voor de advocaten een materiële wet is. Een bij reglement vastgestelde deontologische regel is dan ook niet vrijblijvend, het is een wettelijk voorgeschreven en dus (ook voor de rechtbank) afdwingbare gedragsregel. Maar hoe zit het dan bijvoorbeeld met de advocaat die als bemiddelaar wil optreden? Bemiddelen sluit per definitie de partijdigheid uit. Kan een advocaat met deze codex in het achterhoofd nog wel bemiddelaar zijn?


Nu zou men met enige aanleg voor schizofrenie kunnen stellen dat de advocaat-bemiddelaar niet ‘als advocaat’ bemiddelt en dan niet onderworpen is aan die deontologische partijdigheidsplicht. De codex heeft die situatie geregeld voor de hypothese dat de bemiddelaar door de rechtbank is aangesteld. Artikel IV.1.2 stelt dat de advocaat die belast is met een gerechtelijk mandaat onderworpen blijft aan de deontologie van de advocaat, tenzij de deontologische regel onverenigbaar is met dat mandaat. De advocaat die door de rechtbank als bemiddelaar is aangesteld, en dus uit hoofde van de aanstellingstitel net zoals de rechter onpartijdig moet zijn, zal de advocatenpartijdigheidsplicht aan de kant kunnen schuiven. De codex lijkt dan a contrario wel aan te geven dat andere vormen van bemiddeling niet langer voor een advocaat zijn weggelegd, omdat voor die situatie geen uitzondering op de partijdigheidsplicht is ingeschreven. De advocaat uitsluiten van de bemiddeling was allicht niet de bedoeling van de codex, het is er wel het logische rechtsgevolg van.

MAAR IS DE CODEX WEL EEN REGLEMENT?
Er is ons bij de lezing van wat op 30 september 2014 in het Staatsblad is verschenen nog wel iets anders opgevallen. Artikel 496 Ger. W. zegt dat de OVB ‘passende reglementen’ kan vaststellen. In tegenstelling tot alle andere wetgevende akten van de OVB wordt die codex voor de advocaat nergens als een ‘reglement’ betiteld (niet in de tekst en ook niet in de publicatie in het Staatsblad). Er is enkel sprake van een codex, zonder aanduiding dat dit een reglement houdende de codex is. Juridische muggenzifterij, horen we u al denken. Toch niet. Het specialiteitsbeginsel indachtig kan de OVB enkel binnen de krijtlijnen van haar wettelijke opdracht handelen. Als de wetgever uitdrukkelijk stelt dat de OVB regle-menten kan maken - en die dan kracht van wet hebben, kan de OVB niet op eigen houtje beslissen iets anders te maken om dan te beweren dat dit ook kracht van wet heeft. Vergelijk het met een parlement dat geen wet of decreet maakt, maar ook een ‘codex’, of een ‘draaiboek’, of een ‘actieplan’. De advocaten zullen er als de kippen bij zijn om te bepleiten dat het parlement een losse flodder zonder de minste rechtswaarde de lucht inschoot, minstens geen wet heeft goedgekeurd.


En het wordt wat kafkaiaans wanneer we - tevergeefs - zoeken naar de opheffingsbepalingen. Als er een nieuw reglement wordt gemaakt dat een resem andere moet vervangen, gebiedt de logica toch dat de vorige tekst wordt opgeheven? Wie kan immers iets willen vervangen en het oude laten bestaan zodat twee verschillende wetgevende akten naast elkaar voort gedijen? Het artikel XI.1.2 waarvan hiervoor al sprake verwijst naar een groot aantal reglementen met hun vindplaats in de codex. Die bepalingen zelf worden echter niet opgeheven, zodat ze dus van kracht blijven. Dat zou dan betekenen dat die codex niet de bedoeling heeft om in de rechtsorde in de plaats te treden van die vroegere reglementen. Enkel in artikel V.2.4. wordt uitdrukkelijk één enkele bepaling uit een nog bestaand reglement van de Nationale Orde van advocaten expliciet opgeheven. Betekent dit a contrario dat dit dan niet zo is voor alle andere bepalingen?


Maar misschien moeten ook wij ons niet met het recht bezighouden en simpelweg naar de ‘wil van de wetgever’ kijken, en is met wat goede wil de bedoeling van een orgaan ook wel een bron van recht? De verslagen van de algemene vergadering van de OVB bieden op dat punt geen soelaas en nog minder rechtshouvast. Op de laatste algemene vergadering van het jaar 2013-2014 werd uiteindelijk op een drafje gestemd over een tekst, maar het is niet zeker dat dit ook de versie is die uiteindelijk drie maanden later zijn weg naar het Staatsblad vond. Er was immers nog de mogelijkheid om de tekst taalkundig op te smukken, al is het onduidelijk of daarvan gebruik werd gemaakt.


De OVB zou gemakkelijk aan die situatie kunnen remediëren door in de algemene vergadering een ‘reglement’ te stem-men waarbij de codex vooralsnog als regelement wordt goedgekeurd en waarbij meteen ook de vorige reglementen wor-den opgeheven. Zo wordt ook gehandeld wanneer een codex van de CCBE (de gedragscode voor Europese advocaten) verbindend wordt verklaard. Het is ons dan ook een raadsel waarom dat niet gebeurde voor de codex deontologie.


Er is nu rechtsonzekerheid. Dat is niet zo problematisch voor de bepalingen die letterlijk zijn overgenomen uit de eerdere (en nog niet afgeschafte) reglementen, want die rechtsregels blijven dus in hun oorspronkelijke vorm bestaan, maar het wordt onoverzichtelijk voor de nieuwe regels (bijvoorbeeld die over belangenconflicten, waar ten aanzien van eerdere (lokale) reglementen belangrijke wijzigingen zijn doorgevoerd). De OVB zou er dan ook goed aan doen om de situatie snel te regulariseren, als ze tenminste de bedoeling heeft om van de codex ook een effectief afdwingbaar rechtsinstrument te maken.

WAT MET DE LOKALE REGLEMENTEN?
Er is nog meer. Artikel 500 Ger. W. bepaalt immers dat wanneer de OVB een reglement maakt, de lokale balies enkel nog aanvullende reglementen mogen uitvaardigen. De wetgever heeft daarmee een systeem van concurrerende bevoegdheden in het leven geroepen, wat betekent dat over de materies waarover de OVB heeft gereglementeerd er geen ruimte meer is voor reglementen van de plaatselijke balies. Als de codex een reglement zou zijn (of zou worden) impliceert dat meteen ook de opheffing van vele lokale reglementen. Het blijft verbazen dat de lokale balies nog steeds in de overtuiging leven dat een cumulatieve toepassing van de codex met hun oude lokale reglementen mogelijk blijft.


Volgens artikel VIII.2.1 van de codex kunnen lokale reglementen van de Ordes van Advocaten slechts toepasselijk zijn voor betwistingen waarbij uitsluitend advocaten van die balie betrokken zijn. Als advocaten van meerdere balies in de betwisting betrokken zijn, zo gaat het daar verder, gelden uitsluitend de reglementen van de OVB. Dat is niet enkel on-wettig, het zegt ook veel over de werkelijke (on)wil tot uniformisering.

DRINGEND MOUW AAN PASSEN
Ons oorspronkelijk enthousiasme voor de nieuwe codex heeft na een eerste analyse plaats gemaakt voor bezorgdheid, voornamelijk wegens de manke wetgevingsmethode. Het zou jammer zijn als hier niet dringend een mouw aan wordt gepast. Het zou immers de deur opzetten voor misbruiken en het ongestraft blijven van ondeontologisch gedrag omdat er geen afdwingbare geschreven rechtsregel bestaat, minstens onduidelijkheid is over de regel die wel (nog?) op schrift bestaat. We zeggen het hier ook met enige schroom, precies omdat velen het echt anders en veel beter willen. Maar we menen het echt: OVB, we hebben een probleem.

(Hugo Lamon is advocaat in Hasselt, Patrick Hofströssler is advocaat in Brussel)

Dit artikel is verschenen in De Juristenkrant (nr. 300 van 17 december 2014), u kunt het ook lezen via Jura. 


Gepubliceerd op 18-12-2014

  182