Artificiële intelligentie ter ondersteuning van menselijke rechtspraak

Geneviève Vanderstichele bespreekt een concept en een methode om in de rechtspraak gebruik te kunnen maken van het resultaat van natural language processing en machine-learningalgoritmes met rechtspraak als input. Haar bijdrage is op 23 september 2020 verschenen in aflevering 427 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 23-09-2020

computer

Digitale juridisch-analytische hulpmiddelen

Wanneer de maatschappij verandert ingevolge informatie- en communicatietechnologie, dan is het in een rechtstaat zaak de conflictbeslechting te herijken om een aangepaste, menselijke rechtspraak in functie van de rechtzoekende te verstrekken. Met zogenaamde ‘legal analytics’ krijgt de rechtspraak een aantal digitale juridisch-analytische hulpmiddelen ter beschikking, die niet zonder meer te integreren zijn in de rechtspraak, net zomin als ze automatisch te verwerpen zijn.

De auteur geeft een begin van antwoord op de vraag hoe de uitkomst van deze instrumenten in een rechtsgeding gekwalificeerd en gebruikt moet worden.

Kwalificatie van het resultaat van ‘legal analytics’ voor gebruik in een rechtsgeding: een eigen concept en een eigen methode

Zogenaamde ‘legal analytics’ worden gemaakt met een hoeveelheid rechterlijke uitspraken als input en worden bewerkt met toepassing van natural language processing (NLP) en machine learning (ML). Het resultaat ervan (de zogenaamde ‘ocLA’) kan variëren van een zogenaamde ‘voorspelling’ van nieuwe uitspraken, wat weinig relevant is voor de individuele rechtspraak, het vormen van een synthetisch panel van rechters, het genereren van stukken tekst, het wijzen op delen of middelen die in een ontwerpuitspraak over het hoofd gezien zijn, het genereren van argumenten en hypotheses. Legal analytics beogen bestaande rechtspraak te analyseren en de creatie van nieuwe rechterlijke uitspraken te ondersteunen.

De auteur argumenteert dat het resultaat van ‘legal analytics’ in een gerechtelijke procedure niet gekwalificeerd kan worden als feit, noch als recht. Evenmin is het rechtspraak of doctrine. Door de uitgevoerde bewerkingen situeert het resultaat van deze hulpmiddelen zich op een ander niveau van abstractie dan deze bestaande kwalificaties. Daarom bestempelt zij het als een concept dat eigen is in zijn soort (‘sui generis’).

Ten slotte bespreekt de auteur de stelling dat dit concept in zijn eigen soort een eigen methode met zich meebrengt, om de numerieke benadering van zogenaamde artificiële intelligentie te integreren in een menselijke rechtspraak.

De auteur

vanderstichele-geneviève

Geneviève Vanderstichele is raadsheer in het hof van beroep te Gent en kandidaat DPhil in Law (U. of Oxford – UK).

 

 

  333