Advocaat mag via media kritiek uiten op rechters

Felle kritiek in de media op (individuele) rechters is een heikel thema in de relatie tussen media en justitie. De zaak ligt nog gevoeliger als de kritiek geuit wordt door advocaten, in een rechtszaak waarin ze zelf betrokken zijn. Met een arrest van 23 april 2015 heeft de Grote Kamer van het Europees Mensenrechtenhof de expressievrijheid van advocaten duidelijk opgetild: hoewel de rol van advocaten niet dezelfde is als die van journalisten, erkent het Hof dat ook advocaten het recht hebben om openlijk kritiek te uiten op justitie, als onderdeel van het maatschappelijk debat. Dat omvat het recht om een gebrek aan onpartijdigheid of gegronde twijfels over de integriteit van (onderzoeks)rechters in een concrete zaak via de media onder de aandacht te brengen.

Dirk Voorhoof en Inger Høedt-Rasmussen

(Dit is een fragment uit de bespreking. Het volledige artikel leest u in De Juristenkrant (nr. 310 van 27 mei 2015) of via Jura.)

FilmIn 2000 werkte de Franse advocaat Olivier Morice mee aan een artikel in de krant Le Monde. Het artikel bracht verslag uit over de controverses in een gerechtelijk onderzoek naar het verdacht overlijden (zelfdoding of moord?) van een Franse rechter in Djibouti (Bernard Borrel). In het artikel was sprake van manipulaties door de twee onderzoeksrechters die het gerechtelijk onderzoek hadden geleid. De journalist die het artikel schreef, de directeur van Le Monde en Morice werden veroordeeld voor laster, in toepassing van de Franse perswet van 1881. Het Hof van Cassatie bevestigde de veroordelingen. De Franse rechtscolleges waren van oordeel dat het om zeer ernstige beschuldigingen ging waarvoor geen voldoende feitelijk bewijs geleverd kon worden. Morice kon zich evenmin beroepen op de immuniteit als advocaat, omdat de lasterlijke uitingen niet waren uitgesproken tijdens een terechtzitting.


Het EHRM werd gevraagd om de veroordeling van Morice tegen het licht te houden van artikel 10 EVRM (vrije me-ningsuiting). De vijfde sectie van het Hof kwam in een arrest van 11 juli 2013 tot de conclusie dat van een schending van artikel 10 EVRM geen sprake was. Het Hof was van oordeel dat Morice ‘a adopté un comportement dépassant les limites que les avocats doivent respecter dans la critique publique de la justice’. De geldboete van 4.000 euro en de aanvullende schadevergoeding van 7.500 euro die Morice moest betalen, achtte het Hof, gelet op de appreciatiemarge van de veroor-delende staat, niet excessief. Dit arrest werd evenwel niet definitief, want op 9 december 2013 heeft het panel van vijf rechters, op verzoek van Morice, de zaak doorverwezen naar de Grote Kamer van het Hof.


Op 23 april kwam de Grote Kamer, opvallend unaniem, tot een heel andere conclusie, na een grondig onderzoek van de rol van Morice als advocaat, de bijdrage van zijn interview in Le Monde aan een debat van publiek belang, de aard van de aantijgingen en commentaar in het gewraakte artikel, de overige specifieke kenmerken van de zaak en de aard en impact van de opgelegde sancties. De Grote Kamer concludeert dat de veroordeling van Morice neerkomt op een overheidsin-menging in de expressievrijheid die niet nodig is in een democratische samenleving en daarom in strijd is met artikel 10 EVRM.

[...]

De Grote Kamer gaat met dit arrest diametraal in tegen de bevindingen van het kamerarrest van de vijfde sectie, dat duidelijk meer de klemtoon legde op het bewaren van het vertrouwen van het publiek in justitie, de te felle persoonlijke uitval door Morice tegen de twee onderzoeksrechters en het speculatief karakter van de zeer ernstige aantijgingen.
Met het arrest van 23 april 2015 kiest het EHRM duidelijk voor een ruimer draagvlak voor de expressievrijheid van advocaten, met oog voor hun professionele rol in de samenleving en het belang van hun stem in het publieke debat, zeker over aangelegenheden die verband houden met justitie(beleid) en belangrijke rechtszaken. Ook al worden dan soms, onvermijdelijk, individuele rechters in het vizier genomen.

[...]

Dit is een fragment uit de bespreking. Het volledige artikel leest u in De Juristenkrant (nr. 310 van 27 mei 2015) of via Jura. 

Gepubliceerd op 28-05-2015

  141